Overslaan en naar de inhoud gaan

H5-Studenten jaargang 45-56

Jaargangen 1945 - 1956

 

Aan enige studenten van de jaren 1945–1956 besteden we om uiteenlopende redenen nader aandacht.

Henk Kraft [1945], die kinderverlam­ming kreeg tijdens veldwerk op Corsi­ca, koos daarna geofysica als bijvak voor zijn doctoraal­examen; hij werd een gerespecteerd geofysicus bij de Koninklijke/Shell Groep.

Cees Cup [1946] ging na zijn kandi­daats­examen naar Utrec­ht, deed daar doctoraal­examen en promo­veerde in november 1955 bij Van Bemmelen.

Henk Wuite [1947], die in april 1951 kandi­daatsexamen had gedaan, veronge­lukte op 8 juli 1951 tijdens veldwerk in de Franse Alpen. Enige dagen tevoren was nog een foto genomen van hem en zijn mede­karteer­ders. 

Paul de Buisonjé [1948] was jarenlang als (hoofd)assistent en wetenschap­pelijk (hoofd)medewerker aan de afdeling/vakgroep (Stratigrafie/)Paleontologie verbon­den. Hij ontwierp de Seismotralaat en was gespecialiseerd in vuurwerk, waarvan hij in GVA verband regelmatig gebruik maakte. Zijn jaargenoot Ing Soen [I.S.] Oen- in 1976 benoemd tot hoogle­raar in de petrolo­gie, ertskun­de en mineralo­gie - was in de roerige jaren tach­tig decaan en het boegbeeld van de subfa­cul­teit Geolo­gie en Geofysica.

Adriaan Kuijper was de meest opval­lende student van het jaar 1949. Hij was `links’ en hij had progressieve idee\”en, die zich uitten in zijn schrijfwijze van woorden als `kriti­es’, `strati­gra­fies’ en `ultraba­sies’, lang voordat die spelling eind jaren zestig in zwang kwam. Hij vond het dragen van kousen overbodig en zijn gerafel­de broek werd opgehouden door een stuk touw. Het door­trekken van de w.c. vond hij uitermate burger­lijk. Hij schreef een uitvoerige `Kritiek’ op het proef­schrift van Steen­ken die in juli 1957 bij Brouwer was gepromo­veerd op een gebied in Noors Lapland. Hij eindigde zijn manuscript met ongenuanceer­de en felle aanval­len op Brouwer (`Likken bv. by de moffen, in de afgelo­pen oorlog; trappen tegen zyn studenten’), Steenken en de `niet kompe­tente staf van het geologiese insti­tuut’. Hij was hoogst verontwaar­digd dat de redactie van `Geologie en Mijnbouw’ zijn manuscript niet wilde publi­ceren. 

Bert Pronk [1950] stond bekend om zijn fantas­tische verhalen die hij zo geloof­waardig bracht dat iedereen ze voor waar aannam. Toen een borrel met geolo­gen in het bekende café Eijlders wat uitliep, zei hij even te moeten bellen. Na terugkomst deelde hij mee een diner die avond met de beroemde hoogleraar Vening Meinesz te hebben afge­zegd. Ook beweerde hij in de Dutch Swing College Band te hebben gespeeld, maar vanwege een gescheur­de lip het trompetspel te hebben moeten opgeven. Tot het jaar 1950 behoor­de ook Wim Zwikker. Tijdens de excursie in mei 1951 naar de Boulonnais en Normandië sloeg hij, na een grote hoeveelheid cider te hebben genut­tigd, antisemitische taal uit tegen zijn jaarge­noot Shimon (`Frits’) Cohen. In 1940 was in het Archeolo­gisch Insti­tuut van de UVA de nsb’er W. Zwikker werkzaam. Hij was assistent en promo­vendus van de `foute’ hoogleraar G.A.S. Snijder. Een fami­lie-relatie tussen beide Zwikkers ligt voor de hand en geeft een aannemelijke verkla­ring voor deze antisemitische uitbarsting, zes jaar na de oorlog. 

Roel Murris [1951] promoveerde op 12 juni 1957, nog geen zes jaar na het begin van zijn studie. Hij eindigde op een hoge positie bij de Koninklij­ke/Shell Groep. 

Tot het jaar 1952 behoorden Dirk Beets, die na zijn afstuderen jarenlang aan het instituut verbonden bleef en Harry Priem die later directeur werd van het  ZWO Laboratorium voor Isoto­pengeo­logie, dat van 1961–1965 in het instituut gehuisvest was. Hun jaargenoot Kees Schrijver verdween na zijn kandidaatsexamen (maart 1956) van het instituut, omdat de hoogleraren hem ongeschikt achtten voor de verdere studie geologie. Hij emigreerde naar Canada, studeerde daar af en promoveerde in 1973 in Leiden bij E. den Tex. 

Drie studenten van het jaar 1953 overleden tijdens hun studie. Leo Dubbel­dam stierf door een tragisch ongeluk tijdens het vervullen van zijn militaire dienst en George Koetsier (een Delftse `instromer’) verongelukte bij een bergbeklimming in Oostenrijk in de zomer van 1955. Bert Koelstra kreeg kinder­verlam­ming tijdens zijn docto­raal­veld­werk in Zuid-Spanje in de zomer van 1959. Hij werd ijlings overge­bracht naar het acade­misch ziekenhuis in Grana­da, waar zich in die tijd de enige ijzeren long van Zuid-Spanje bevond. Hij overleed, enige dagen later, op 23 juli 1959. Op verzoek van zijn ouders en vrien­din werd hij begra­ven in Granada. De Spaanse beeldhouwer slaagde er niet in de hem opgege­ven tekst foutloos in de grafsteen te beitelen: `lub­beztus johannes koelsha ocverleden 23 julio 1959 zust zacht bert’. Gelukkig werd zijn naam later wel goed vermeld op een blok marmer uit zijn veld­werkgebied.

Van de jaren 1953–1956 bleven acht afgestudeerden als wetenschappelijk (hoofd)-medewerker aan het instituut verbonden: Dick van Harten [1953], Henk Helmers [1953], Otto Si­mon [1953], Harm Rondeel [1954], Tiny Geel [1955], Warner ten Kate [1955], Tom Roep [1955] en Kees Linthout [1956]. Het verklaart het relatief hoge percentage (32) van het cohort 1953–1956 met een werkkring in het hoger onderwijs. 

De studenten van het jaar 1956 waren de laatsten die onder Brouwer met hun studie begonnen. Een van hen, Walter Kaper die museumas­sistent was en in december 1960 kandidaatsexamen had gedaan, overleed in oktober 1961 aan leukemie.

Zie verder de file Geologische jaargangen met alle studenten