Eilandenrivier Heenreis

 

- De Heenreis -

 

19 april 1961

 

Ik zit in de Beaver naast de piloot en probeer te schrijven. Het ingewikkelde instrumentenbord van dit watervliegtuig heb ik al bestudeerd. Achterin zit collega Gerard en opzichter Jan met lichte lectuur, het enige dat in het bos gelezen wordt en waarmee ze het de komende maanden zullen moeten doen. Vóór mij snort de motor, hij maakt veel lawaai. Je moet niet veel praten, dan word je schor. Het is schitterend weer.

We vliegen vanuit Biak over de Geelvinkbaai en zijn juist in Napan geland om benzine in te nemen. We moeten opschieten, in de verte boven het bergland ziet het er nu nog niet te dicht bewolkt uit. We moeten zorgen er overheen te zijn voor het helemaal dicht trekt, wat tegen de middag altijd gebeurt. Ons reisdoel is de Eilandenrivier in het zuiden, ons werk- en onderzoeksterrein voor de komende maanden; Gerard en ik zijn Hollandse  geologen in dienst van het Kantoor Mijnwezen in Hollandia. Voor mij wordt dit het eerste tournee naar het bos.

 

In Napan staan maar een paar huisjes bij een aanlegsteiger.  Na een  korte aanloop over het water stijgt de Beaver vrij snel. We vliegen eerst laag over het bos, de oetan, het ‘boerenkoolstronken’-bos. Hoe moeten we daar straks te voet doorheen, overal glinstert het moeraswater tussen de bomen, je kunt de bomen nog afzonderlijk onderscheiden, de kale takken van dode bomen doorbreken het eeuwige groen.

We zetten koers naar de Wisselmeren. De piloot volgt een sterk kronkelende rivier en zoekt de bergpas die ons door het gebergte zal leiden. Langs de rivier, tussen de eerste heuvels, staat een enkel aluminium huisje, een bestuurs- of zendingspost. Vorig jaar nog maakte een Beaver daar een noodlanding, de motor was afgeslagen. Leuk. Mijn piloot pakt af en toe de telefoon, ik versta er niets van, misschien maar beter ook. Vliegen lijkt erg makkelijk, de piloot laat het stuur geregeld los of speelt er wat mee.

 

Vanmorgen bij vertrek uit Biak waren er toch weer ambtelijke problemen. Er was ons in Hollandia toegezegd dat we mèt bagage 340 kg mochten wegen. Maar op Biak eiste men dat een extra piloot zou mee gaan, daar de Eilandenrivier voor hen nog onbekend terrein was. Of we dan van onze bagage, die al tot het uiterste beperkt was, nog 80 kilo wilden afhalen! Twee vluchten zou veel te duur worden, deze charter was al 4000 gulden! Tenslotte stemde men toe in één piloot, mits we bij hoge waterstand in Agats zouden blijven en dan ons eigen vervoer naar het basiskamp aan de Eilandenrivier zouden regelen. Dit hadden we nota-bene in Hollandia bij de boeking al zo afgesproken.

 

De piloot klaagt dat het toestel moeizaam stijgt, is het toch wat te zwaar? We vliegen nu boven flinke valleien, lieflijk zijn ze niet te noemen. Soms zijn er kale plekken in het bos,  waarschijnlijk verlaten ladangs, de bevolkingstuinen.

 

Daar zijn de Wisselmeren al, een half uurtje van Napan. Dit is weer een orientatiepunt en tevens uitwijkhaven. Behalve in het bergland is de Beaver het enige toestel dat vrijwel overal op iedere rivier een (nood)landing kan maken. Wel even een boterhammetje  gegeten, zitten nu boven de meren van ontdekker Wissel; vanuit dit vliegtuigje zou je bijna zeggen: was dat nou zo moeilijk te vinden? Enarotali, de hoofd-plaats, heeft een beruchte vliegstrip waar al van alles is verongelukt. Gelukkig vliegen we verder, de piloot zwenkt. We klimmen nog steeds, zijn op 2500 m nu, halen we het … ja, net over een wolk heen en we passeren de hoogste pas van deze route. We kunnen weer zakken. Wat gaat dat vlug, hier houdt het bergland al weer op.

 

En daar zien we dan de zuidelijke kustvlakte van Nieuw Guinea voor ons. Eindeloos lijkt deze, hoewel hij hier in het westen nog betrekkelijk smal is. Het is goed weer, we vliegen rechtstreeks door naar Agats, anders hadden we eerst nog in Kokonao kunnen tanken. Grote dekens van wolkenvelden hangen boven de vlakte. En overal bos, alleen een rivier met eilandjes en bochten breekt het landschap; rivierwater met bruine modder. Op de topografische kaart van Nieuw Guinea zien we dat alle rivieren die het Centrale Bergland naar het zuiden ontwateren vrij recht verlopen en zonder delta’s in de Arafoera Zee uitmonden. Dit in sterk contrast met de grote Idenburg-rivier die, in de Meervlakte tussen de grote gebergten, een ruim meanderend karakter vertoont zoals verwacht bij een vlaklandrivier. 

 

     

 

We vliegen al een tijdje langs de kust en zoeken Agats. Alle rivieren monden hier  breed en wild slingerend in zee, het is haast niet te herkennen. De kaart die de piloot heeft is slecht, uit de oorlog. — We zakken al, denken het gevonden te hebben. Veel benzine heeft hij niet meer zie ik op het metertje voor me. — Toch nog een eind verder waarschijnlijk. Een eiland op de kaart dat we al drie keer menen herkend te hebben is geen eiland meer en blijkt dichtgeslibd tot een landtong. Wat een snertkaart. Gerard is hier eerder geweest en raakt tenslotte georiënteerd. We hebben Agats nu te pakken, er blinkt een aluminiumdak aan een brede rivier.

 

De boei bij Agats waaraan het watervliegtuig moet meren, ligt helemaal aan de andere kant van de rivier, die hier zeker 700 meter breed is en met dicht bos op beide oevers begroeid. We waren natuurlijk al opgemerkt en een prauw met buitenboordmotor kwam ons halen. Doordat de bestuursambtenaar vergeten had in die prauw tegelijk benzine mee te geven, kreeg ik de kans aan wal te komen en door het HPB (hoofd plaatselijk bestuur) van Agats, de heer K., rondgeleid te worden.

Het was erg broeierig in Agats. Op de bestuurspost staan een paar nette huisjes voor Europese bestuurders en hutjes van palmbast voor autochtonen. Veel tuinen en een klapper-aanplant, maar toch primitief en beperkt. De heer K. heeft een ruim huis, een grote ijskast (op petroleum) en een bruine koeskoes, een buideldier dat in bomen leeft, grote bruine ogen en een beetje sloom, net een luiaard. Een magere, nozemachtige pastoor was er ook. Er bleken vier à vijf zendings- en missieposten te zijn, een veel voorkomende situatie in dit land. Of dit geen verwarring zaait onder de mensen? Integendeel, de Papoea’s weten er slim gebruik van te maken. Ze krijgen namelijk steeds wat, tabak bijvoorbeeld, om ze naar de kerk te lokken en dus lopen ze meerdere kerken per zondag af. Over vrouwen hoorde ik niets, die komen waarschijnlijk naar een aparte bijeenkomst.

 

 

Ik moest zelf de piloot helpen om tien jerrycans benzine in de Beaver te gieten, staande op een van de drijvers. Na een oponthoud van twee uur zijn we verder gevlogen richting ons basisbivak aan de Eilandenrivier. De bivakken dateren van het vorige tournee in 1960 en worden nu stuk voor stuk opgeknapt door onze ploeg. De vlucht van Agats naar het basisbivak was maar kort, hemelsbreed 150 km; het vliegtuig moest de rivier in de gaten houden voor oriëntatie, dus het zal wel dichter bij 180 km geworden zijn. Er was veel te zien en ik hield de kaart bij; wij hadden van deze route een betere kaart dan de piloot. Er was nogal veel bewolking, maar de Eilandenrivier was goed te volgen: een grote bruine stroom die hier nog geen eilanden heeft.

 

Na iets meer dan een uur kwamen we bij een onweersbui, het kamp was gelukkig gauw gevonden. De piloot werd nerveus, hij wilde voor die bui weg wezen en nam een snelle duik om de Beaver aan de steiger te krijgen. Opzichter Jan moest wel het water in om het hele toestel te keren. De landingssteiger drijft op lege benzinedrums omdat de waterhoogte sterk wisselt. Het kamp ligt een meter of drie boven de rivier op een oeverterras; vanaf het water is het net of de rivier tussen dijkjes stroomt.

 

 

 



 

 

- In het Basiskamp -

 

20 april 1961

 

Op die oever is een strook bos schoongekapt, onze hutten zijn van palmhout en atap (blad van de sagopalm) en gebouwd op een vloertje om droge voeten te houden. Het is hier tamelijk gerieflijk, heb mijn eerste nacht onder een klamboe goed doorstaan. Het regende vannacht, het was koud en ik had niet genoeg aan een enkel laken. ’s Avonds in de regen wemelt het van de larongs, vliegende mieren. Bij kilo’s kon je ze op de grond bijeenvegen. Er zitten hier maar drie man met tien Papoea’s. Straks blijft alleen Rahailwarin, onze administrateur uit Hollandia, hier achter bij de radio met zendinstallatie.

 

De Papoea’s zijn Asmatters, uit het gebied rond Agats; ze zijn erg donker, met initiatielittekens en een groot gat in hun neustussenschot. Er steekt niets door dit gat, deze mensen zijn alweer iets tè ontwikkeld, ze schamen zich een beetje voor de oude adat, vooral de jongeren. Alleen als er een feest is gaan de versierselen weer aan: bamboe, stukjes been, potloden, rietjes, batterijen, alles wat ze te pakken krijgen gaat door neus en oren. Ze staan wel bekend om hun cultuur, hun mooie houtsnijwerk en om hun vroegere kannibalisme.

 

Op tournee wordt natuurlijk uitsluitend Indisch gegeten. Het eten is gruwelijk heet van de tjabe, ik moet er nogal van hoesten, wat iedereen leuk vindt, dus doe ik mijn best er gauw aan te wennen. ’s Morgens eten we brintapap of katjang idjoe (groene erwtjes, voor de vitamine B, smaakt naar slechte bruine bonen); ’s middags is het rijst; ’s avonds raadt eens: rijst. Ze hebben een varkentje geschoten en morgen gaan we vissen. Ik zag vandaag zwarte kaketoes en jaarvogels met grote snavels overvliegen. Veel geluiden hoor je niet, het bos is tamelijk stil. Wel veel krekels, overdag zijn er vliegen, ’s avonds ook muskieten. Met schrik herken ik anopheles, de malariamuskiet, in Hollandia vrij zeldzaam (er is daar in de oorlog veel DDT gespoten). Gisteren is er een kleine schorpioen doodgeslagen.

 

Er liggen een paar prauwen aan de steiger, uitgeholde boomstammen met buitenboordmotor. Gaat lekker snel, ik zit er goed in; de roerganger moet erg oppassen voor drijvende boomstammen die de schroef vernielen. Het is een hele kunst om aan de wervelingen aan het wateroppervlak de boomstammen te herkennen die onder water vastzitten. Niet altijd steken ze met kale takken boven het water uit.

 

Benedictus, onze Moejoe-kok, lacht maar wat, doet alles voor je, ook de was. De Asmatters verzamelen atap en hout om verderop bivakken te bouwen of oudere op te knappen. Af en toe hoor je ze zingen, ze praten niet veel onder elkaar. ’s Avonds vertellen ze elkaar moppen, te oordelen naar het gelach dat uit hun hutten opstijgt.

 

Het is hier best uit te houden. Heb vanmiddag een korte wandeling gemaakt. Er zitten veel muggen en steekvliegen, maar het heet dat je daar weinig last van krijgt. Het bos is tamelijk open, rond het bivak lopen allerlei paden. Je ziet wat vlinders en hagedissen, weinig vogels en vrijwel geen bloemen, het nieuwguinese bos lijkt tamelijk arm. De kali is vandaag sneller gaan stromen; kleine hopen bruinig schuim duiden er op dat er boven-strooms een bandjir is geweest. Een van de opzichters die de motor van de mappi verzorgt, een 9 meter lang vaartuig met een zeil boven je hoofd, heeft deze vandaag klaar gekregen, zodat we morgen naar bivak I kunnen gaan. Heb vandaag mijn geweer schoongemaakt, voelde me net weer in militaire dienst; het gouvernement eist dit van je, van mij hoeft dat vervelende geweer niet, is alleen maar een last. Jagen ligt me niet zo, een enkele keer zal ik meedoen. De kroonduif is het meest gewilde hapje, bijzonder lekker en zo groot als een kalkoen. Soms hoor je ze roepen in het bos, een vér-dragend geluid als van een trom.

 

Onze veldbedden staan op een planken verhoging, een para-para, en ook tussen de hutten en de keuken zijn planken loopjes gemaakt. ’s Avonds als het stil is, lig je in de klamboe te luisteren naar het geknaag van weet-ik-wat-voor beesten in het atap dak. Hun donkere uitwerpselen vind je overal in de hut, op je klamboe, in je boeken.

 

 

 



- Het eerste bivak -

 

 

24 april

 

Er staan een paar geweldige ‘broodbomen’ bij Bivak I met heel grote bladeren, decoratief en schaduwrijk. In dit bivak zorgt Willem voor het eten onder toezicht van opzichter Jan. Als arbeiders en dragers hebben we Moejoes uit de bergen ten noorden van Merauke, zij worden vaker geworven voor expedities. Het zijn sterke kerels, van hun verdiensten kopen ze broekjes, kapmessen en ijzeren bijlen. Verder hebben we als arbeiders Asmatters uit de kampong Jausakor. Het verschil tussen kustpapoea’s, zoals de Asmastters, en de Moejoes valt direct op: de laatste zijn kleiner van stuk en lichter van huidskleur.

 

 

 

In dit bivak zijn weinig muskieten en vliegen, maar des te meer agas en zoutbijtjes. Agas zijn minuscule vliegjes die venijnig steken; ’s middags om vijf uur komen ze in grote zwermen uit de rivier om bij ons te kriebelen. Bij donker zijn ze verdwenen. De zoutbijtjes zijn onschuldig en steken niet, likken alleen je transpiratievocht op. Wanneer ze dan met tientallen op je rug zitten te wriemelen wordt ook dat weer irritant. Zodra het bos gekapt is heb je al minder last van insecten, die liever tussen de bomen blijven. ’s Avonds vliegen grote zwarte krekels langs je neus, gelukkig geen kakkerlakken.

 

Bivak I staat op een uitgebreide grindbank, waarboven een sliblaag van 2 à 3 meter is afgezet. In de bovenste delen van het grind, maar lang niet overal, zou goud zitten. Met handboringen wordt op regelmatige afstanden vastgesteld hoe diep de grindlaag ligt. Zo heeft collega Hank al een aardige kaart kunnen maken van de topografie van het grind. De bovenkant is namelijk niet vlak maar gegolfd en de mogelijkheid wordt onderzocht of het goud misschien speciaal in de golftoppen van de grindbak is geconcentreerd. Om een grondmonster op goudgehalte te testen wordt een doelang of goud-waspan gebruikt. Een kleine hoeveelheid grond wordt hiermee door draaien met water aan de oever van de rivier uitgewassen. Alle lichte materialen en slib en steentjes worden uitgespoeld, de zware mineralen en het nog zwaardere goud blijven in het centrum van de doelang achter. Dit concentraat kan alleen in het laboratorium verder verwerkt worden. In het doelangconcentraat zie je de kleine goudblaadjes al zitten. Hank heeft tot taak voor dit eerste wassen snel een constructie op te zetten, zodat grote hoeveelheden grond verwerkt kunnen worden.

 

 

Een ‘schudgoot’ voor het scheiden van zand en grind wordt gebouwd uit ter plaatse gezaagde planken. Een paar meter erboven komt een wateropslag te staan; via een slang wordt het water op het grind gespoten, waarbij met de hand het apparaat geschud en het grind gewassen wordt. Van een paar zeven wordt regelmatig het schoongewassen grovere grind er uitgehaald en zo stroomt er tenslotte zand met alle zware mineralen in een goot met dwarslatjes, richels.  Dit te wassen zand moet voortdurend in beweging blijven in het stromende water en dan blijven de zwaarste mineralen met eventueel aanwezig goud achter die richels liggen. Zo wordt over het hele te onderzoeken veld de concentratie aan goud grofweg vastgesteld. Mocht tenslotte blijken dat er voldoende goud aanwezig is dan zou, zonder veel investeringen of opleidingen, voor de lokale bevolking een ‘verdienmodel’ opgezet kunnen worden.

 

 

 



 

 

- Naar Bivak IV -

 

29 april

 

Het idee om tegelijk met het goudonderzoek de geologen in het Centrale Bergland naar de oorsprong van het goud te laten zoeken, dat door de Eilandenrivier is getransporteerd en benedenstrooms afgezet, is natuurlijk niet meer dan een slag in de lucht. Een dergelijk onderzoek zou veel meer voorkennis van het terrein en een meer toegepast instrumentarium vereisen! De ‘nabijheid’ van een ‘bevoorrade basis’, ik bedoel ons bivak I, als basis voor de sprong naar het onbekende bergland, in een land waar je nog alle transport, veiligheid en logistiek zelf moet organiseren, moet meer gezien worden als een kans om een eerste geologische verkenning in dat gebergte uit te voeren.

 

Vanmorgen dan eindelijk het vertrek uit Bivak I. Omdat we verwachten dat het 6 à 8 uur varen is krijg ik tien bananen mee. Zo lang zonder iets te eten moet ik erg aan wennen, ik  neem ook dropjes of pepermunt mee, maar dat zal snel opraken. Vóór het instappen in de prauw glij ik uit in de vette modder en kom languit in het water te liggen. Het is een goede prauw, ligt stevig en schept geen water, Daniel zit aan de motor die soms sputtert en er bijna mee ophoudt. Bougies worden schoongemaakt en dan doet hij het weer een tijdje. Waarom maken die ingenieurs die rotmotoren niet eens volledig betrouwbaar?

 

Het wordt een fraaie dag, smeer mijn benen goed in met zonneolie want je verbrandt levend in zo’n prauw midden op de rivier. Uren stilzitten, zal mij benieuwen of dat lukt; als je je verroert heeft de roerganger moeite om de prauw in evenwicht te houden. Ik zit op een zeil, een patrouilleblik in mijn rug en zo kan de blanke toean het net uithouden.

 

Een paar dagen terug was opzichter De Herdt teruggekomen met het verhaal dat de opvoer van eten en materialen moeilijker ging dan gedacht. De Eilandenrivier is over lange trajecten niet bevaarbaar, we zullen grotere afstanden te voet moeten afleggen.

 

De rivier slingert veel, wordt langzamerhand breder en krijgt nu eindelijk eilanden en grote grindbanken. Dit zal zo blijven tot ver stroomopwaarts, tot aan de voet van het gebergte. Soms is de oever slechts in de verte te zien en vaart de prauw door wild stromend water. Tussen de grindbanken is het oppassen om de schroef niet op de harde keien kapot te laten slaan. Een Papoea voorop meet voortdurend met een peilstok, Daan mindert gas en stuurt er ons telkens weer goed overheen. Hij kent de weg en heeft deze route al dikwijls gedaan. Hij weet ook bij ieder eiland de juiste kant te kiezen, steeds is er een kans dat het òf links òf rechts te ondiep is. Het meest gevaarlijk zijn de drijvende boomstammen, het heeft gebandjird de laatste tijd. De rivier sleept dan veel dode bomen mee, met wortel en tak uit de oever losgerukt. Die boven water uitsteken zijn te omzeilen, de meeste worden echter door de snelle stroom onder water meegesleurd. Waaraan Daan het ziet weet ik niet maar hij weet ook dit te vermijden, op één keer na, een flinke klap tegen de schroef. We drijven naar de kant, twee van drie schroefbladen zijn afgebroken. In Hollandia heeft de chef zich boos gemaakt dat er steeds om nieuwe schroeven getelegrafeerd werd, maar dat verwondert mij niet meer. Erger nog, bij de opvoer naar Bivak IV aan de splitsing van simpang kanan en simpang kiri (resp. rechter en linker zijrivier) is eerder een hele prauw met onze sterkste motor verloren gegaan, in een werveling geraakt. De simpang kanan is erg moeilijk nu. De verloren prauw is bij een lage waterstand teruggevonden.

 

 

Ik zie uit naar krokodillen, maar krijg ze niet te zien. Witte reigers zijn er en buizerds en troepen uit hun slaap gewekte kalongs (vleermuizen), overdag hangen die in slaap-bomen. De tocht duurt tenslotte vijfeneenhalf uur, Daan heeft het werkelijk vlot gedaan. Vijftig kilometer blijkt de afstand op de kaart. Behalve de eerste vijf minuten voelde ik me op mijn gemak in de smalle prauw, ook op de wilde gedeelten. Op het water is het lekker fris en heb je geen last van insecten. Het bergland hebben we intussen steeds dichterbij zien komen.

 

 

Bivak IV biedt direct een vertrouwd beeld, al zitten we hier in tenten op de para-para’s (houten looppaden). Het opzetten van een bivak is gemakkelijk omdat er zoveel bruikbaar hout is en je overal rechte stammetjes bij de hand hebt. Dunne rechte stammetjes, zoals het hele oerwoud: alle bomen zijn kaarsrecht, ze staan elkaar in de weg en streven allemaal naar het licht. Het oude bos langs de oevers ziet er angstwekkend uit, de stammen hangen vol met klimplanten alsof ze met zeewier begroeid zijn. Het jonge bos op de eilanden, dat van tijd tot tijd door een bandjir verwoest wordt, ziet er fris uit, met veel riet en de sukun, een doorzichtige boom met grote handvormige bladeren.

 

In het bivak treffen we opzichter Wolf en 44 Moejoe-dragers. Zoals met zoveel Papoea’s is het ook in deze groep moeilijk een bepaald type te herkennen, ze lijken allemaal verschillend. Sommigen met baardjes en platte neus zien er echt wild uit, een paar beslist knappe jongens hebben een Semitisch of Indisch uiterlijk. De kok met een reusachtige snor lijkt op een barkeeper van het Leidseplein. Benedictus is ook meegekomen, zit nu weer bij zijn vriendjes.      

 

 



- Weg uit bivak IV -

3 mei

 

Als je een paar uur door het bos loopt is je kleding vuil, je kunt het ’s avonds door iemand laten wassen; je geeft hem een stuk zeep en hij duikt er mee de kali in. Het is modderig en vuil water, eerst laten weken is er niet bij, je mag blij zijn als het de volgende ochtend iets is opgedroogd. Gewoonlijk trek je de kleding dus ’s morgens nat aan, zeker wanneer je op doortrekken bent. Zondagmorgen vertrekken we naar bivak 2, de nieuwe bivakken van dit seizoen zijn opnieuw genummerd. Hemelsbreed is het 12 km; het paadje kronkelt nogal, het zal dus wel 20 km worden. Daarbij moeten we vaak dwars door een rivier, soms 4 à 5 keer over dezelfde kronkelende kali. Tot de knieën door de sterke stroom, oppassen voor boomstammen of gladde keien die je in het troebele water niet ziet liggen. Je tracht zo lang mogelijk de boel droog te houden, ben je één keer door het water gegaan dan kan het je niet meer schelen. De dragers lopen met alle barang (lading) en voedsel, binden alles met rotan op hun rug. Aan draagriemen hebben ze maling. Van het Gouvernement mogen ze niet meer dan 15 kilo dragen; bij het Mijnwezen krijgen ze 20 kilo, later 25. Anders heb je weer meer mensen nodig, die meer voedsel moeten meenemen, enzovoorts. Gerard, Wolf en ik lopen voorop, als je wat nodig hebt moet je wachten tot de dragers je ingehaald hebben. Het pad is tamelijk duidelijk, maar wanneer ik later op de dag moe ben struikel ik over alles, lianen, boomwortels. Als je je ergens aan wilt vastklampen zijn er twee mogelijkheden: je grijpt een dode of  vermolmde tak òf een doornstengel. Onder het lopen heb je weinig last van beesten, behalve van bloedzuigers, die voel je niet, maar als ze zich volgezogen hebben en loslaten komt er bloed uit. ’s Avonds verwijder je deze door er een buisje met ammoniak onder te houden, dan laten ze meteen los. Slangen zie je nooit, die vluchten al wanneer ze jou horen komen.

 

Tot nog toe mag alles avontuurlijk verlopen zijn, bivak IV is een rotbivak, het is niet te harden van de insecten. ’s Morgens en ’s avonds muskieten, overdag horden zoutbijtjes en grote steekhorzels. Je zit geen moment rustig, ik loop in het bivak met een lange broek, mouwen omlaag, dikke sokken, een handdoek om mijn hoofd. De horzels zijn het ergste, geweldige krengen, als je die drie keer een doodklap geeft schudden ze hun vleugels en vliegen weg om een nieuw plekje te zoeken om hun gemene slurf in je te boren. Als ik wil lezen of schrijven ga ik in de klamboe zitten. De zoutbijtjes zijn alleen maar hinderlijk, vliegen niet weg bij een beweging van je hand, raken verstrikt in je haren en scheiden een kleverig vocht af wanneer je ze dood slaat. Dit bivak ligt wel mooi, met flink uitzicht over de rivier die hier brede grindbanken heeft. De andere oever ligt op een paar kilometer afstand, onze oever ligt op zeven meter boven het water en er zijn prachtige zonsondergangen en maannachten. Dat zijn dan weer de betere momenten. We wassen goud in de kali, verzamelen en bestuderen een paar losse keien, de enige geologie die je kunt doen. We wachten op opzichter Jan, die overmorgen zal arriveren.

 

Maandagmiddag zou ik met opzichter Wolf gaan jagen: we kwamen de volgende ochtend pas om negen uur terug. We hadden een Moejoe van een jaar of vijftien mee om het pad te kappen. Die mensen kunnen zich echter slecht oriënteren, hoe handig ze zich overigens door het bos bewegen. We raakten spoedig verdwaald en drongen steeds verder het bos in. Vrijwel tot het donker had ik nog het volste vertrouwen in Wolf die ons er wel uit zou helpen. Naarmate het donkerder werd, er was intussen een druilerige regen gekomen, drong het tot me door dat het echt niet meer lukken zou. Geheel in het kader van dergelijke verhalen passeerden we een herkenbare boomstronk twee keer, en hadden dus in een kring gelopen. Toen het stikdonker was en we geen twee meter voor ons uit konden zien, zijn we in het drassige bos gaan bivakkeren. Ik liet alles aan Wolf en de Papoea over en had geen voorstelling hoe we de nacht zouden doorkomen. Voor Wolf was het al de derde keer dat hem dit overkwam. Een vol uur waren we bezig een vuurtje aan te leggen, droog hout was niet te vinden, maar dankzij een fles muggenolie die brandbaar bleek, lukte het tenslotte. We hurkten samen op een paar boomstammetjes. Ik kan niet zo lang op mijn hurken zitten en als ik mijn been uitstrekte tot buiten die stammetjes dan lag mijn voet in het water. Het vuur is dankzij voortdurend blazen de hele nacht aangebleven, misschien hadden we daardoor weinig last van insecten. Toen de regen ophield probeerde ik mijn kleren droog te krijgen, mijn onderbroek viel daarbij in het water.

Het leek onvoorstelbaar elf uren te moeten wachten in deze ongemakkelijke houding. De Papoeajongen sliep echter al spoedig met zijn rug tegen een boomwortel, en telkens als hij wakker schrok viel hij bijna in het vuur. Om twaalf uur hield ik het op de stammetjes niet meer uit en ben een zitje gaan bouwen. We zaten nog niet of de regen begon weer, aan één stuk door tot een uur of vijf. Ons bladerdak lekte al gauw, het water droop over mijn rug. We lieten het maar, het zitje stortte ook in. Het laatste uur van de nacht presteerde ik het om hurkende te slapen. Toen de zon opkwam hadden we tenminste een orientatierichting en wandelden we in anderhalf uur recht op de rivier af, we waren dus vrij ver het bos ingedrongen.

 



- Verder langs de Simpang kanan -

 

4 mei

 

Er is hier lekkere meerval in de rivier. Wolf heeft een kraai geschoten en een jaarvogel, de kraai is taai en die jaarvogel moet een paar dagen gerookt worden. Tijdens de maaltijd vinden we een bloedzuiger bij de gebraden kraai. Kok Benedictus trekt voor de vorm een vies gezicht, ik denk dat hij het knap overdreven vindt dat we dáár bezwaar tegen maken: binatang (beest) merkt hij onnozel op.

 

We vertrekken van bivak 1 naar 2; de bivakken van dit jaar worden opnieuw genummerd. We kunnen nu alleen nog maar te voet, met prauwen gaat niet meer. Hemelsbreed is het 12 kilometer. Daarbij moeten we vaak dwars door de rivier, soms tot 5 keer toe. Tot de knieën  door de sterke stroom, oppassen voor boomstammetjes of gladde keien die in het wilde water niet altijd zichtbaar zijn. De dragers lopen met alle barang en voedsel op hun rug zonder speciale draagriemen. 

 

 

Gerard, Wolf en ik lopen voorop, de paden zijn gekapt. Het pad is duidelijk genoeg, maar als ik later op de dag moe ben, struikel ik over alles, lianen, boomwortels. Als je probeert een val te vermijden en je ergens aan vastklampt, zijn er twee kansen: je grijpt een dode, vermolmde tak of een doornstengel.

Onder het lopen heb je weinig last van diertjes, kriebelend noch stekend, behalve van bloedzuigers. Je voelt ze niet, maar als ze zich volgezogen hebben en loslaten bloed je wel. ’s Avonds verwijder je de resterende bloedzuigers met een buisje ammonia; even eronder houden en ze laten direct los. Slangen zie je nooit, die vluchten zodra ze geluid horen op het pad.

 

 

- Vervolgens naar Simpang kanan kiri -