Eiland Simpang kanan kiri

 

- Simpang kanan kiri -

10 mei

 

 

Grindbanken en eilanden, eerste blik op het bergland

 

 

We zitten al drie dagen in bivak 5 aan de Simpang Kanan, nabij de ingang van de Simpang Kanan Kiri kloof. Gerard, Daan en opzichter Jan zijn vooruitgegaan om bivakken bij de kloof aan te leggen. De kloof is de toegang tot het gebergte; de kloof zelf zal niet te passeren zijn. We moeten over de bergen heen die direct vrij steil uit de vlakte oprijzen en al gauw 1500 à 2000 m hoog zijn. Wij zullen wel de eersten zijn die langs deze kloof trekken, geen expeditie, laat staan het bestuur is ons vóór geweest.

 

Iedereen ziet mooie beesten, ik niet. Er zitten krokodillen en kasuarissen en Wolf heeft een kangoeroe gezien. Wel insecten, bivak 5 heeft geen horzels of muskieten, maar voldoende kleefbijtjes en stekende wespen. Op 11 mei vertrek ik met 14 dragers naar bivak 6, dat vlak voor de kloof moet liggen. De dragers kennen gelukkig al de route, want over de grindbank zie ik geen pad lopen. Ik verdwaal nog in een rietveld, maar tref na een uurtje de staart van de karavaan weer.

 

De volgende dag ga ik met opzichter Jan de eerste bergrug op. Omdat het gesteente uitsluitend uit kalksteen bestaat noemt men het de kalksteenbarrière. Het begint meteen met een steile helling, we moeten 550 meter omhoog en doen daar drie uur over. In anderhalf uur zijn we dan weer beneden aan de rivier om te ontdekken dat we - langs de rivier gemeten - in totaal 30 meter gestegen zijn. Tijdens de tocht heb je op veel plaatsen een kans om in de kloof te kijken, waar het water zich bruisend doorheen stort. Er zijn vast wel plekken waar je kunt lopen, maar wat doe je bij een eventuele bandjir tegen die loodrechte wanden? Misschien zijn er watervallen waar je helemaal niet langs kunt. Hier heet het dus bivak 7, we kwamen al doornat aan. Vanuit de vlakte zagen we het bergland meestal in de wolken, dus we wisten wat ons te wachten stond.

 

 



15 mei

 

 

Vandaag is het mijn beurt om met Daniel vooruit te gaan, te verkennen en een pad te kappen. Daarbij loop je uitsluitend op het kompas. Het is geen moment droog geweest, de zijkali’s die we doortrokken waren woeste bergriviertjes geworden. In het begin probeer je de schoenen droog te houden, maar al gauw besef je dat dit geen zin heeft.

 

We treffen enige keren een bevolkingspad van zwervende stammen. Al stelt zo’n pad niet veel voor, we schieten toch sneller op. Aan het eind van zo’n pad treffen we een hutje midden in een ladang (bevolkingstuin). De dragers werden bang toen we het hutje naderden, maar alles bleek sinds kort verlaten te zijn. Het is maar een bladerafdak met twee vuurplaatsen, voor twee families.

 

Onderweg vinden we een maléo nest. De maléo is een zwervende boskip die haar tamelijk grote eieren in een metershoge hoop bladeren, mos en takken begraaft en ze daarin door broei laat ontwikkelen. Je kunt er beter niet aankomen, want er zitten akelig jeukende mijten op, de koetoe maléo. Onze dragers duiken er tot hun oksels in maar vinden geen eieren. Door de aanhoudende regens wordt de rivier steeds wilder. Terug in bivak 7 blijkt het water ruim een meter gestegen te zijn, het is nu een woest kolkende stroom en er klinkt een dof gerommel van door het water voortrollende keien. Wanneer we laat in de middag terugkeren wacht het eten op ons, dat mag ook wel: na het bordje pap en een kop koffie in de ochtend hebben we, zoals gewoonlijk, niets meer gehad.

 

In de bergen lopen de dragers aan hun voeten meer wonden op. Het kalksteenterrein is erg ruw, met veel spleten en gaten in de grond en met scherpkantig gesteente. Het is de dragers niet aan te leren om zich ’s avonds direct met een wondje te melden, ze komen pas als het een zweer geworden is. Een flinke zweer is soms moeilijk dicht te krijgen met ichthiolzalf en sulfapoeder.

 

Na aankomst in bivak 8 klinkt geroep achter ons in het bos. We verwachten niemand, dragers zijn meteen nerveus en staan met pijl en boog klaar, de kreet orang oetan  (bosmensen) klinkt heel dwaas uit de mond van mensen die net tien jaar terug dat bosleven verwisselden voor een iets meer gezeten kampongbestaan. Het geroep komt echter van andere dragers die ons door Wolf achterna zijn gestuurd.

 

 



 
18 mei

 

Bivak 8 ligt op een klein terrasje in een nauw dal waar de kali woest doorheen gaat. We willen de rivier hier oversteken, dus moet er een brug gebouwd worden. Dat zal niet meevallen. De andere oever ligt op nog geen 20 meter afstand, maar  de rivier heeft te veel water, zodat niemand naar de overkant kan zwemmen. We kunnen niet wachten tot het water zakt en dus laten we de Moejoes met het probleem: zij mogen een brug bouwen en dat vinden ze prachtig. Ons idee was om twee dikke bomen te kappen en die tot halverwege de rivier te laten vallen en om dan vanuit dit ‘bruggenhoofd’ iemand aan de overkant te krijgen. Het wordt een mooi gezicht de bomen te zien kappen, ze doen het zó dat de bomen bij hun val zoveel mogelijk ander gewas meesleuren.

 

 

Gerard heeft een brug van wilde bewoners gevonden, maar opzichter Jan raadt ons af om die te gebruiken. Hij is er van overtuigd dat de lokale bevolking ons allang in de gaten heeft en onnodig boos wordt als wij hun brug benutten. Om  het contact te bespoedigen zijn er vandaag bij hun hangbrug geschenken neergelegd, drie messen, drie spiegeltjes en wat tabak.

 

Toen de beide woudreuzen aan omvallen toe waren keken we allen in spanning toe. Echter, bij de eerste aanraking van de boomtoppen met het bruisende water werden ze als luciferhoutjes meegesleurd en verdwenen uit het zicht! Dat was een teleurstelling voor de houthakkers, die keken echt wel even sip. De volgende dag was er een nieuw plan, ik heb het niet gehoord maar vermoed dat er een paar Moejoes toch via de bevolkingsbrug aan de overkant zijn gekomen.

 

De hangbrug constructie bij bivak 8.

 

 

 

 

 

 

         De zelfbouwbrug in gebruik. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Door de gedwongen rust kom ik tot lezen en schrijven. We zitten met z’n vieren in een tent tegenover elkaar, erg krap, net een treincoupé. We hebben 15 uur regen gehad, daarna was het 11 uur droog en nu giet het weer. Ieder leest wat, de dragers rusten uit. Eén is erg ziek, misschien kou gevat. Daan heeft in het bos een gifslang geschoten, twee vingers dik, lichtbruin met een brede zigzagstreep op de rug. Eerder had ik een heel mooie kever verzameld met horentjes op zijn kop. Ook had ik ergens een torretje met een spiegelend rugschild gevonden, nooit van gehoord dat zoiets bestond. Na een dag in een doosje was helaas het spiegelend effect verdwenen.

 

 

 

 



 

22 mei

 

Het regent hier tien keer zo veel als in Nederland, er valt 6 meter per jaar. Mijn veldbed begint te schimmelen. De zwaar zieke heeft mogelijk een vergiftiging, hij heeft een rotte kreeft gegeten, kwam er vandaag uit. De twee politieagenten in bivak 4 schijnen nerveus te worden van de eenzaamheid. Hun aanwezigheid is echter voorschrift; we zullen enige zwakkelingen en de zieke bij hen achterlaten. Mandoer Romanof met zijn ploeg heeft de hangbrug klaar. Ze hebben er met enthousiasme aan gewerkt, het is een stevige brug geworden. Wij moeten er wel met blote voeten over, met schoenen glij je gemakkelijk af op die 4 à 5 strengen glibberige rotan.

 

Er is even een probleem met de Moejoe-dragers: we hebben Moejoes uit verschillende kampongs, die andere talen spreken. Die uit de kampongs in de bergen ten noorden van Mindiptana staan bekend als de beste en ijverigste dragers, die uit vlakkere gebieden zuidwaarts voelen minder voor activiteiten in bergachtig terrein. Naarmate wij nu het echte gebergte naderen, krijgen de laatsten de angst te pakken: vreemde volksstammen zijn immers altijd vijanden.

 

’s Avonds komt de mandoer, de voorman bij ons: “wij van Mindiptana uit de vlakte willen liever niet mee, wij zijn de bergen niet gewend”. Opzichter Jan weet daar wel raad op en lacht hem vierkant uit, neemt hem in de maling waar de anderen bijstaan. Iedereen heeft het grootste plezier en het pleit is al gewonnen. Wel komen er direct ziekmeldingen. Ze krijgen dan een onschuldige maar bittere pil te slikken; simulanten komen dan in geen geval terug.

 



 

Eindelijk enige geologie
 
25 mei

 

Gisteren zijn opzichter Jan en ik met een aantal dragers verder noordwaarts gegaan, eerst over de nieuwe hangbrug. We klimmen veel, over tamelijk grote afstand, dus niet al te steil. Wel een heel eind over een graat, dat loopt makkelijk en af en toe heb je enig uitzicht. Aan beide kanten gaat het ijselijk steil omlaag, de graat is hier en daar niet meer dan een meter breed. Het blijft begroeid, dat neemt het gevaarlijke en angstwekkende grotendeels weg. We blijven daarna een bevolkingspad volgen en treffen twee verlaten hutjes, waar vlakbij hun ladang ligt waar ze sago en pandan hebben geplant. De pandanus of schroefpalm heeft zijn bladstand volgens een schroef, de grote vruchten zijn eetbaar. We passeren een bron waar fris water door een gaatje in de grond omhoog welt.

 

De afdaling is weer steil en glibberig. Naar beneden kijkend wordt tussen de bomen duidelijk dat we iets bijzonders tegemoet gaan. Ik begin te geloven dat we ons doel bereiken, een vlakte die ik op de luchtfoto’s op kantoor in Hollandia weigerde te inter-preteren als een groot meer. Een echt meer is zwart op een luchtfoto, er waren echter twee witte plekken op die foto te zien en dat is wel heel bijzonder in een tropisch oerwoud waar gewoonlijk een dichte begroeiing alles overwoekert. En dat we daar nu recht op aan lopen bij de voortdurend lastige oriëntatie en zonder enige topografische kaart! Achteraf zit er een beetje logica in die bevolkingspaden die we vandaag volgden, want bewoning kun je natuurlijk bij voorkeur bij een grote open plek verwachten.

 

 

Aangekomen bij de ‘kale plek’ krijg ik al direct de indruk dat het terrein door enorme steenlawines is overspoeld. Na de afdaling over de laatste kalksteenrug zie ik dat het gesteentepuin tegen de steile wand van deze rug tot stilstand is gekomen en niet verder afgevoerd zal worden, het rivierwater lekt en stroomt blijkbaar wèl verder langs en door die kalkwand. Het kale en smalle dal vóór ons is over 2 à 3 kilometer tot over honderden meters breedte met gesteentepuin opgevuld. Alleen een enkele sterke boom heeft de puinstroom weerstaan en is rechtop begraven, hij is nu dood. Ik schat dat de laatste grote puinlawine die hem begroef zo’n 10 à 20 jaar geleden  plaats vond. De wanden van het dal rijzen tamelijk steil op, er is hier en daar veel gesteente ontsloten en uit zijdalletjes komen kleine puinstromen. We zullen nu echt wat meer geologie kunnen beoefenen. Het brokkelige gesteentepuin is fijn en grof, enkele rotsblokken van een paar meter zijn bovenop meegesleurd. Zachte gesteenten zijn tot gruis vermalen. Het is voor de dragers moeilijk lopen, als altijd op hun geharde blote voeten. De steentjes hebben scherpe kanten, zijn niet afgerond zoals dat in een rivier zou zijn gebeurd. Voor de expeditie is het hier een verademing, eindelijk uit het bos en weer om je heen kunnen kijken.

 

 

 



 
- Een bolle puinvlakte als dalvulling -

 

26 mei

 

De volgende dag over de gesteentebrokken weer verder het kale dal in. Een rivier is nog niet over te steken, ze slingert wat over de puinvlakte, wanneer die te dicht bij het bos komt moeten we weer even omhoog de helling op en weer omlaag. Na een vernauwing is het dal op z’n breedst, wel 250 meter en bol van het gesteentepuin; het dal zwenkt naar links en lijkt nog wel een hele kilometer tot aan een steile rotswand in de verte door te lopen. Een eind halverwege zien we een blauw rookkringeltje, daar huist enige bevolking.

 

Als we even rusten verschijnen er plotseling twee vrouwen achter ons, ze schrikken zich wild maar kunnen door een zware vracht niet weglopen. Wij leggen alles wat we dragen neer en beduiden dat ze kunnen passeren. Zouden ze geweten hebben dat wij in hun bos vertoeven? Ooit blanken ontmoet? We kunnen het ze niet vragen. Hun vracht wordt in een groot net gedragen aan een lus over het voorhoofd. Behalve voedsel zal er ook wel een zuigeling of een varkentje in de netten zitten. Beiden worden met zorg opgevoed in dit land, het biggetje krijgt dezelfde melk als het kind en uit dezelfde bron (leerden we later). Dit nieuwe dal wordt nu werkelijk erg fraai, we moesten hier maar een paar dagen blijven. Hier en daar kale gesteente-hellingen met aan de voet een eigen puinhelling die de grote stroom gevoed zal hebben. Een paar kleine meertjes met groen water, ook met ondergelopen bomen, zijn bij steile zijdalen afgedamd. Voorlopig maken we hier ergens bivak 9 in de helling, kappen het bos wat verder open en krijgen de eerste gietbui over ons heen.

 

We worden wakker op een stralende dag en met een mooi uitzicht. De dragers hebben de nacht gewaakt, niet op ons verzoek, maar uit angst gepijld te worden. Langs de dalwand aan de overkant zagen we gisteren twee Papoea’s lopen, laat ik daar vandaag wat geologie doen met opzichter Jan en Moejoe Jozef. Ik loop ze dan wel tegen het lijf. Met moeite komen we de rivier over via enige rotsblokken in het midden en een houten constructie die op een leuning lijkt. We zijn drie uren aan het werk als Jozef ons waarschuwt en warempel, daar staat een persoon aan de overkant van de rivier. Pijl en boog heeft hij niet in de aanslag, hij roept en zwaait naar ons, gebaart naar de plek waar we kunnen oversteken. Jozef is nerveus, heeft al in zijn broek geplast. Ik beduid de man dat wij wel naar de overkant zullen komen en dan naar ons bivak gaan. Hij is me nog behulpzaam bij het oversteken, reikt me de hand een paar keer en dan staat opzichter Jan daar ook al, die het tafereel op afstand heeft waargenomen en klaar stond om hem de pas af te snijden. Allemaal niet nodig, ik leg mijn geweer op de grond en Jan biedt hem een sigaret aan. We ontvangen hem aan de voet van de helling onder het kamp en gaan daar op de stenen zitten; het contact moet stap voor stap gaan. Op zijn rug hangt een dunne knot van gevlochten touw die aan z’n haar is vastgemaakt. Om zijn voorhoofd kralensnoeren van witte vruchtenpitjes, ik zie ook een paar gekleurde kralen, mogelijk geruild met deelnemers aan de Franse Gaisseau-expeditie, die enige jaren terug een rivier verder dan de Eilandenrivier verkende, dwars door het hele eiland op weg naar Hollandia. Door zijn neus draagt hij een botje dat gemakkelijk in en uit gaat. Om zijn hals een band met zwarte kasuarisveren en een koordje met hondentanden. Rond zijn middel zit strak een rotan vele malen gewonden, van waaruit een paar dunne koordjes de bekende koker, een smalle kalebas, rechtop houden.

 

 

 

 

 

 

      

 

Het contact verloopt kostelijk, beide partijen lachen zich rot. Jan ruilt de stenen bijl voor een stevig mes en schenkt mij de bijl. Hij is erg blij met het mes, maar we moeten hem nog tonen wat hij er mee kan. Wanneer het tot hem doordringt dat je daarmee alles kan snijden met één slag, wordt hij helemaal enthousiast en kraait van plezier. Een klein spiegeltje vindt hij echter het mooist, hij zit er maar in te gluren. Als we hem in zijn nek kietelen ziet hij dit in het spiegeltje en heeft de grootste lol. We krijgen een mooi bewerkte pijl van hem. Met handgebaren wordt hem duidelijk gemaakt dat wij hier bivakkeren, slapen en eten. Lucas, een van onze slimmere Moejoes, blijkt iets van een verwante taal te kennen, wat onze gast enigermate verstaat. Lucas vertelt het Jan in het Maleis, waarna ik het in het Nederlands krijg. Er wordt hem verteld dat hij eerst terug moet gaan om nog een stenen bijl, groenten en een kameraad te halen, dan krijgen ze van ons rijst en meer messen en spiegeltjes. Hij is echter zo nieuwsgierig dat hij niet snel weg wil.

 

Plotseling ziet hij een groot kapmes liggen, we laten hem het gebruik demonstreren en nu kent zijn bewondering geen grenzen meer. Wij weten ook dat we daarmee alles kunnen bereiken. Opzichter Jan heeft zijn plannen al gereed, hij wil ze ons de weg doen wijzen op onze verdere tocht. We bieden hem nog wat shag aan en dan huppelt hij weg, telkens achterom kijkend.

 

Na het vertrek van onze bezoeker wordt de geologische verkenning hervat. Ik ga op weg naar het smallere hoofdeinde van het dal, opzichter De Herdt begeleidt mij. We lopen over ruwe en hoekige brokken gesteentepuin traag omhoog. De wanden zijn kaal en plaatselijk steil; als er al wat struiken zijn dan is het weinig. Uit grote en kleine zijdalen blijken nieuwe puinstromen tot stilstand te zijn gekomen bovenop de puinvulling van het hoofddal (zie schets). Door het ontbreken van verwering of begroeiing met mos zijn de gesteenten te onderscheiden: harde kalksteen brokken en zachte schalie in groenige of rode tinten die in de puinstroom door de laatste druk van de stroom vergruisd zijn bij het tot stilstand komen, getuige de geringe verspreiding van elk gekraakt blokje kleisteen. In de nog bewegende stroom zullen ze minder last gehad hebben van verdere verbrokkeling, want de stroom wordt gedragen door water, een woeste emulsie die na zware regenval in het steile zijdal omlaag vloeit. Dat met zoveel meer stromen het dal tot misschien wel tientallen meters in het midden gevuld is, duidt er op dat uit het hoofdeinde de grootste voeding moet komen. Maar dat het in die hoofd-stroom, op een veel minder hellend terrein ook weer in beweging kan komen moet toch wel te wijten zijn aan periodes met uiterst overvloedige regenval, een fenomeen waarvan wij beslist al getuige geweest zijn!

 

 

Bij het naderen van het hoofdeinde van het dal worden individuele puinstromen steeds duidelijker. Helemaal achterin kan ik alleen nog naar rechts een weinige meters breed zijdalletje in. Het wordt alsmaar steiler en smaller en de puinbodem van het dal blijkt hier nog te stromen! Alleen de puinbodem is te belopen, maar hogerop wordt de beweging te sterk en moeten we opgeven. De achterwand is mede daardoor niet benaderbaar; van korte afstand maak ik een schets van het verloop van diverse gelaagdheden en van de hoofdbreuk.

 

 

 

De beide wanden van het hoofddal zijn ook bezaaid met losse blokken en puin, voorzover er ook maar iets kan blijven liggen op die wanden.

 

 

 

 

Twee dagen van fikse regen later, maak ik een gebeurtenis mee zoals je maar zelden meemaakt: ik kijk toevallig de juiste kant op vanuit het kampje en zie een eind verderop een enorm blok van enige meters doorsnee hoog in een helling loskomen. Het blok stuitert na de eerste val en veert weer op om verder te vallen; een beetje veerkracht is blijkbaar in die ondergrond voorhanden. Dat zulke blokken ook in het midden van de grote puinstroom liggen duidt weer op het sterke dragende en mee-sleurende effect van de hoofdstroom. En dan te bedenken dat wij bij het bouwen van dit bivak zelfs niet langs de helling omhoog hebben gekeken!

 

Bij terugkeer in het bivak zie ik dat onze bezoekers met z’n tweeën zijn gekomen. Ze hebben grote stengels suikerriet, dikke oranje komkommers en tabaksbladeren mee-gebracht. Ieder draagt een boog met fraai gesneden pijlen; een stenen bijl voor opzichter Jan is er ook bij. De tweede man is wat verlegen, heeft een knap gezicht. Zijn kleding is hetzelfde, hij heeft een vuurrood blad in zijn haar gestoken, twee varkensslagtanden door zijn neus, een armband met een steentje, waarmee ze vuur kunnen maken. Beiden dragen een mem, een draagmand van gevlochten vezel of touw op de rug. De man van eerst haalt een zacht-rood steentje van rode oker te voorschijn, waarmee hij zijn ogen insmeert. Ook Jan laat zich insmeren.

 

 

Ik neem voortdurend foto’s waar ze een beetje schrikachtig voor zijn; dit laten ze blijken door heftig nee te schudden. We laten ze van alles zien, de verrekijker (van de verkeerde kant): geweldige lol; met mijn geologische hamer sla ik achteloos een paar stenen aan gruzels: grote schrik. Onze kok brengt een kom gekookte rijst, legt ze uit wat dat is, maar ze eten er niet van. Ze willen het meenemen om het anderen te laten zien en wikkelen de rijst in bladeren. Onze eerste vriend heeft veel plezier in een plastic emmer die we hem geven, hij bekijkt en betrommelt deze van alle kanten, ruikt er aan en schrikt telkens als het hengsel omvalt. Mijn lichte huidskleur zegt ze ogenschijnlijk weinig, maar als ik kousen en schoenen uittrek en ze zien mijn witte voeten dan volgt een heftig nee schudden. Via onze ‘tolk’ Lucas laten we verzoeken om ons overmorgen (twee slaap- gebaren) verder de weg te wijzen, dan krijgen ze een groot kapmes. Bij Lucas in de keuken blijven ze het langst, daar voelen ze zich meer vertrouwd.

 

 

De komkommers zijn erg goed. Het is stralend weer geweest. ’s Avonds bij maanlicht in het riviertje gebaad, fantastisch wat een oord!

 

We hebben geen zendapparatuur mee het bergland in. De berichten die we via de radio uit bivak I ontvangen zijn niet zo goed. Het bivak is een paar keer ondergelopen bij hoge waterstand. Erg hoog kan het niet komen, want als het water eenmaal over de oever stroomt, verspreidt het zich in het lager liggende bos daarachter, dat dan  een en al moerasbos wordt.

 

Twee keer per dag is er radiocontact met berichten voor alle buitenposten in Nieuw Guinea; voor ons steeds vanuit Merauke. Het is altijd komisch om dat te volgen. Je hoort dat pastoor X op reis gaat met mejuffrouw Y; dat de parlementaire missie uit Nederland naar Mindiptana komt, waar bij de ontvangstkleding licht’ is voorgeschreven; uit Sibil vernemen we dat de aanplant van Arabica koffie aan het mislukken is; een telegram van onze chef, dat hij onze brief van 3 mei ontvangen heeft en direct twee nieuwe 22PK buitenboordmotoren en alle post zal opsturen.

 

 

 



27 mei   

 

 

Ik ben met Jozef verder gegaan met de exploratie van onze vallei. We moeten de kali over op een andere plek en daarvoor samen een uurtje een brug van boomstammen bouwen. Als ik nu maar op blote voeten over die stam van 20 centimeter dik kan lopen, waar de rivier overheen spat. Jozef liep al een paar keer met mijn spullen heen en weer, maar moet voor mij een leuning maken voor ik er over durf. Onderweg komen we onze eerdere bezoeker tegen, die een stuk suikerriet aanbiedt. Het is al drie uur, we zijn best hongerig na alleen onze ochtendpap. Suikerriet is heerlijk om op te kauwen, sappig en zoet.

 

Een paar weken geleden zaten in de katjang idjoe (groene erwtjes), net iets beter dan Brinta-pap, kleine witte puntjes die ik eerst voor zaadjes aanzag. Later kwamen er zwarte puntjes bij, die bij inspectie met de loep, meer van torretjes weg hadden; de witte puntjes waren blijkbaar de larfjes. Ik voel me voldoende aangepast, zag de Papoea’s een vingergrote engerling uit een rotte boom plukken met behulp van een stenen bijl en rauw naar binnen werken; zover ben ik echter nog niet.

 

Als we terugkomen staan de mannen alweer aan onze tent. Nu zijn er twee kleine jongens bij, allebei met pijl en boog op maat. Ze zijn niet verlegen, ik heb ze beiden een wasknijper gegeven en ze geleerd hoe die te gebruiken om bijvoorbeeld tabaksbladeren te drogen.

 

Collega Gerard gaat morgen met opzichter Jan vooruit om verdere kampen te maken en een pad te kappen. Het wordt voor de opzichters Wolf en De Herdt wel erg vervelend om alleen maar voor opvoer van voedsel en materialen te zorgen. Morgen gaan zij ook mee.

 

Een dag later zit ik met Daan alleen in bivak 9. De bezoekers komen nu elke dag. Het zijn er al tien. Er is een lastige vent bij, die een van de dragers een bijl heeft afgetroggeld en die pas weer teruggeeft na enige dreiging van onze kant. Hij is niet weg te slaan, gaat liggen maffen bij het vuurtje in de keuken. Tenslotte ben ik nogal bruusk de tent uitgerend, recht op hem af en toen iets heel onschuldigs aan een tent gaan frutselen. Hij smeerde ‘m als een haas. De anderen zijn veel plezieriger, maar we moeten oppassen want deze man lijkt enig gezag te hebben. Vrouwen komen nu ook regelmatig mee, één is nogal lacherig. We hoorden een baby kraaien in een van de draagzakken. Een mager hondje kwam ook mee. Ik heb nog twee pijlen kunnen ruilen, maar een boog willen ze niet geven. We ruilen nu tegen kaurischelpen, een algemeen betaalmiddel elders in het bergland. Wanneer je geen zin hebt in bezoek, dan ga je voor de tent zitten en zet luid de radio aan, vlakbij: het is voor onze bezoekers bepaald angstwekkend om niemand te zien op de plek waar duidelijk dat geluid vandaan komt.

 

 

- Op de terugweg -